Vol 91 Nr 4 (2014)
Artikel
-
Welke schoolleiderkenmerken bevorderen het toepassen van digitaal leermateriaal door leraren?
Transformatief leiderschap beïnvloedt het innovatieve gedrag en de professionalisering van werknemers. In deze studie is nagegaan of dit ook geldt voor het inzetten van digitale leermaterialen (DLMs) door leraren in hun onderwijspraktijk. Eerder onderzoek naar het toepassen van DLMs heeft uitgewezen dat vooral self-efficacy, alsmede houding en in mindere mate de ervaren subjectieve norm de intentie van leraren om DLMs te gebruiken beïnvloeden. Om er zicht op te krijgen hoe het gebruik van DLMs bevorderd kan worden, is nagegaan of schoolleiderkenmerken, via ICT-beleid en professionaliseringactiviteiten, de kernvariabelen self-ef-ficacy, houding en subjectieve norm beïnvloedt. Deze kernvariabelen gelden als belangrijke voorspellers van gedrag. Uit de resultaten van de vragenlijst afgenomen bij 543 leraren uit het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs bleken twee dimensies van transformatief leiderschap relevant te zijn, te weten visie en intellectuele stimulans. Deze leiderschapsdimensies bleken via ICT-beleid en via professionaliseringsactiviteiten de self-efficacy, houding en subjectieve norm te beïnvloeden. Deze laatste beïnvloeden op hun beurt, via de intentie om DLMs toe te passen, het feitelijk gebruik van DLMs in de onderwijspraktijk. Kortom, sommige leiderschapskenmerken bevorderen het toepassen van DLMs door leraren.
-
Het Dalton Plan in Nederland en de ‘grammar of schooling’
Bij de introductie in Nederland in 1924 stond het daltononderwijs in het middelpunt van de aandacht. Maar de interesse verflauwde snel en het daltononderwijs verbreidde zich nauwelijks. De stagnerende ontwikkeling lijkt op die in Engeland en de Verenigde Staten. Bekend is de verklaring van Tyack en Tobin: het Dalton Plan moest het als onderwijsvernieuwing afleggen tegen de ‘grammar of schooling’. Wij onderzoeken wat er gebeurde met het Dalton Plan in Nederland tussen 1920 en 1970. We maken hierbij gebruik van de ‘grammar of schooling’-theorie, maar van een genuanceerde variant. We benutten aanvullingen en kritieken van Depaepe c.s. en Viñao Frago.
-
Comprehensief onderwijs: een bedreiging voor kwaliteit? Een heranalyse van Rindermann en Ceci (2009)
Uit onderwijskundig onderzoek blijkt over het algemeen dat een vroege opsplitsing van leerlingen tussen algemeen vormend en beroepsgericht secundair onderwijs (vroege tracking) de sociale en etnische ongelijkheden in onderwijsuitkomsten uitvergroot. Bovendien hangt een vroege opsplitsing niet samen met betere gemiddelde prestaties. Rindermann en Ceci (2009) vonden in een landenvergelijkend onderzoek echter wel een positieve samenhang tussen vroege selectie en gemiddelde prestaties. Hoe kan deze tegenspraak worden begrepen? In dit artikel laten we zien dat Rindermann en Ceci niet adequaat gecontroleerd hebben voor de verschillen tussen landen in hun erg heterogene dataset. Ten eerste waren hun drie controlevariabelen niet voldoende om alle relevante verschillen te ondervangen. Ten tweede veronderstelden Rindermann en Ceci dat het effect van de leeftijd van opsplitsing zelf onafhankelijk was van het ontwikkelingsniveau van het land. Door interacties op te nemen laten we zien dat deze aanname niet juist is. Onze heranalyse suggereert integendeel dat in welvarende landen de leeftijd van tracking geen duidelijk effect meer heeft op de gemiddelde prestaties, wat in lijn is met de rest van de literatuur.
-
Beoordeling van beeldende producten in het primair onderwijs
Onderzoek wijst uit dat Westers georiënteerde kunstenaardocenten tekeningen van 5-jarigen vaak even hoog waarderen als tekeningen van volwassen kunstenaars en de meer conventionele beeldende uitingen van oudere kinderen lager waarderen. Men spreekt van een U-vormig beoordelingspatroon. Leken op het gebied van beeldende kunst komen in het algemeen tot een ander beoordelingspatroon, namelijk een stijgende waardering bij een stijgende leeftijd van de makers. Deze gegevens vormen het referentiekader voor een onderzoek naar beoordelingspatronen van betrokkenen bij beeldend onderwijs in het primair onderwijs. Groepsleerkrachten en beroepskunstenaars die projecten in het basisonderwijs uitvoeren, beoordeelden tekeningen van 5-, 8-, 11- en 14-jarigen, volwassen leken en volwassen beeldende kunstenaars op de criteria expressie, techniek, mooi, interessant en goed/slecht. De beroepskunstenaars komen tot meer U-vormige oordelen dan de groepsleerkrachten, maar de groepsleerkrachten beoordelen de tekeningen van 5-jarigen hoger dan eerder onderzochte leken zonder beeldende opleiding. De beoordelingspatronen van groepsleerkrachten en beroepskunstenaars verschillen sterk van de beoordelingspatronen van scholieren. De resultaten worden bediscussieerd in relatie tot een meer transparant beoordelingssysteem.