Vol 89 Nr 4 (2012)

Gepubliceerd: 2012-01-01

Artikel

  • Beïnvloedende factoren van ouderbetrokkenheid: een empirische studie in traditionele en methodescholen

    L. Ghysens, J. Braak van

    De zoektocht naar beïnvloedende factoren van ouderbetrokkenheid is zowel relevant voor onderzoek als voor praktijk. Deze studie gaat na in welke mate oudercognities samenhangen met verschillende vormen van ouderbetrokkenheid. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de invloed van gezinskenmerken en het onderwijstype van de school van het kind. Hiertoe werd een vragenlijst afgenomen van 691 ouders van leerlingen uit de derde graad van het lager onderwijs, van wie 207 ouders verbonden aan een methodeschool en 484 ouders verbonden aan een traditionele school. De resultaten tonen de significante invloed van oudercognities aan, in het bijzonder de perceptie van ouders over de leraar en de school. Ook blijken ouders uit methodescholen in sterkere mate betrokken bij het onderwijs van hun kind dan ouders uit traditionele scholen. De betrokkenheid van laatstgenoemden wordt sterker beïnvloed door de aanmoedigingen tot betrokkenheid door de leraar. Deze bevindingen bevestigen de cruciale rol van de leraar en de school in het gehele proces van ouderbetrokkenheid.

  • Lesgeven in het praktijkonderwijs en opleiden naar zelfstandigheid: Een observationeel onderzoek in lessen hout- en metaalbewerking

    H. Blik, E. Harskamp , E. Kuiper-Bakker

    De leerlingenpopulatie in het praktijkonderwijs (PrO) wordt gevormd door 12-18 jarigen met een (licht) mentale achterstand. Het voornaamste doel van het praktijkonderwijs is leerlingen te leren zelfstandig een beroep uit te oefenen. Er is echter twijfel aan de effectiviteit van het lesgeven van de docenten (Blik en Harskamp, 2005). In het onderhavige onderzoek is nagegaan in hoeverre docenten praktijkonderwijs groepsgewijze dan wel individuele instructie geven en in dit laatste geval of zij volgens een expliciet instructiemodel te werk gaan. Bovendien is gekeken in hoeverre de leerlingen zelfstandig werken en wat de kwaliteit is van hun praktische opdrachten. Er zijn lesobservaties uitgevoerd in het tweede leerjaar bij 38 techniekdocenten. Alle docenten kregen dezelfde materialen en opdrachten voor de leerlingen. Het blijkt dat de meeste docenten (58%) onderwijs gaven in de vorm van hulp aan individuele leerlingen. Docenten zetten de leerlingen na een korte introductie direct aan het werk. Leerlingen stelden vervolgens veel hulpvragen en wachtten op aanwijzingen van de docent. Slechts weinig leerlingen kwamen tot het zelfstandig vervaardigen van het werkstuk. De overige 42% van de docenten maakte gebruik van groepsinstructie. De docenten bespraken of demonstreerden een plan voor het maken van het werkstuk en vervolgens gingen de leerlingen aan het werk. De actieve leertijd is na groepsinstructie beduidend hoger en het aantal hulpvragen van leerlingen is duidelijk lager dan wanneer alleen individuele hulp wordt gegeven. Opvallend is dat de kwaliteit van de eindproducten bij groepsinstructie aanzienlijk hoger is dan bij individuele hulp. Het onderzoek besluit met aanbevelingen voor vervolgonderzoek.

  • Kennis van leraren over leesdidactiek

    H. Hurk den van , A. Houtveen , W. Grift de van

    Er is een toets ontwikkeld voor het meten van de kennis van leraren over leesdidactiek. Items over fonologisch bewustzijn, alfabetisch principe en vloeiend lezen zijn voorgelegd aan een panel van 30 leesdeskundigen. Dit resulteerde in een toets met 45 items die is afgenomen bij 215 basisschoolleraren. De toets blijkt betrouwbaar in termen van de klassieke testtheorie en voldoet ook aan de assumpties van het Raschmodel. Veel leraren scoren hoog op de toets, maar ze blijken beter te weten wat wel werkt, dan wat niet werkt in leesdidactiek.

  • Discussie: Behandeling zonder diagnose. Bespreking CPB Policy Brief 2011/05.

    H. Luyten

    De “policy brief” over Nederlandse onderwijsprestaties van het Centraal Planbureau bespreekt de toestand van het Nederlandse onderwijs en stelt een aantal maatregelen ter verbetering voor (Van der Steeg, Vermeer, en Lanser, 2011). Belangrijke verdienste van het CPB-rapport is de aandacht voor het economische belang van goed onderwijs. Daarnaast wordt nadrukkelijk gewezen op de relatief lage prestaties van de hoogst scorende leerlingen in Nederland. De maatregelen die men voorstelt om de “patiënt” (het onderwijs) te behandelen lijken echter lang niet allemaal even zinvol. Men toont zich erg optimistisch over de effecten van vroege selectie en accountability en heeft weinig oog voor de risico’s en nadelen die hiermee gepaard gaan.