Vol 89 Nr 5 (2012)
Artikel
-
Effecten van leren en werken in het mbo: een review studie
Investeringen in de opleiding van de beroepsbevolking zijn wezenlijk voor het handhaven en verbeteren van het concurrentievermogen van onze economie. Steeds veranderende omstandigheden in het werk vereisen continu leren van werknemers. Combinaties van werken en leren tijdens de initiële beroepsopleiding zouden leren in de verdere loopbaan bevorderen. De vraag blijft echter welke effecten we hiervan kunnen onderscheiden. In verschillende OECD-landen fungeren bovendien verschillende stelsels voor middelbaar beroepsonderwijs, wat de vraag oproept in hoeverre effecten van leren en werken tussen deze stelsels verschillen. Deze reviewstudie is gericht op de vraag wat er bekend is over de effecten van leren en werken op het niveau van initieel middelbaar beroepsonderwijs voor deelnemers en werkgevers, en in hoeverre dit verschilt tussen internationale stelsels. De voorzichtige conclusie is dat het combineren van werken en leren op het niveau van middelbaar beroepsonderwijs loont. De literatuur is echter gefragmenteerd en levert meer evidentie op voor indirecte effecten (inkomen, effecten voor werkgevers) dan voor directe effecten (competentieontwikkeling). Ook is er meer bekend over stelsels met zwak ontwikkeld beroepsonderwijs (bv. VS) dan over stelsels met sterk ontwikkeld beroepsonderwijs (bv. Duitsland en Nederland). Verschillen in effecten tussen stelsels zijn op basis van de gevonden literatuur echter niet hard te maken.
-
Motieven, verwachtingen, leerconcepties en leeroriëntaties van reguliere en academische studenten aan lerarenopleidingen basisonderwijs bij aanvang van de studie
Dit artikel beschrijft een studie naar motieven voor de keuze van de opleiding en het beroep, verwachtingen ten aanzien van kennisverwerving, leerconcepties en leeroriëntaties van reguliere en academische voltijdstudenten aan lerarenopleidingen basisonderwijs bij aanvang van de studie. Sinds september 2008 is het voor studenten die aan de toelatingseisen voldoen mogelijk te kiezen voor een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs. Kennis over de groep studenten die kiest voor een dergelijk traject ontbreekt nagenoeg. Voor deze studie is een vragenlijst ontwikkeld en afgenomen bij 1326 pas begonnen studenten van 16 lerarenopleidingen basisonderwijs. De data zijn geanalyseerd met behulp van meerniveau-analyses. Studenten aan lerarenopleidingen basisonderwijs blijken sterke pedagogische, didactische en vakinhoudelijke motieven te hebben, zien leren als het verwerven van toepasbare kennis en hebben een beroepsgerichte leeroriëntatie. Academische studenten hebben echter minder pragmatische en hedonistische en meer innovatiegerichte motieven dan reguliere studenten. Ook verwachten zij meer onderwijs gericht op onderzoek en innovatie en hechten zij minder waarde aan samenwerken met medestudenten dan reguliere studenten. Deze uitkomsten bieden aanknopingspunten voor de profilering en (her)inrichting van academische opleidingstrajecten voor leraren basisonderwijs.
-
Kwaliteitsbeoordeling van scholen primair onderwijs: Het correctiemodel van de inspectie vergeleken met alternatieve modellen
Bij de beoordeling van de kwaliteit van scholen primair onderwijs gebruikt de inspectie met name de scores van leerlingen op de Cito-Eindtoets Basisonderwijs. Ter correctie van aanvangsverschillen van leerlingen wordt per school het geaggregeerd leerlinggewicht benut in de vorm van een globale score van de opleiding van de ouders. De onderzoeksvraag is gericht op identificatie van bruikbare andere correctiefactoren alsmede bepaling van de effecten van alternatieve correctiefactoren op de kwaliteitsbeoordeling. Ter beantwoording worden reeksen correctiemodellen ontworpen die zijn gebaseerd op enerzijds zeven leerlingkenmerken en anderzijds drie soorten multiniveau regressie-analyse. De onderzoeksmethode is secundaire analyse van gegevens verkregen met het landelijke COOL5-18 cohortonderzoek en data die worden beheerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. In de multiniveau analyses worden 402 scholen en 8.561 leerlingen betrokken. De resultaten demonstreren dat twee correctiefactoren (gedetailleerde opleiding ouders; etniciteit) relatief betere resultaten geven dan die welke worden verkregen via de huidige correctie met behulp van leerlinggewicht. De conclusie is dat, hoewel het onderzoek beperkingen kent, verbeteringen mogelijk zijn in de wijze waarop de inspectie de leeropbrengsten van scholen beoordeelt.
-
Discussie: Naar een hervorming van het Vlaams secundair onderwijs: Overwegingen en aandachtspunten vanuit een Vlaams (onderzoeks)perspectief
In voorliggende discussiebijdrage bespreken we een aantal aspecten van de voorgestelde structuurhervorming voor het Vlaams secundair onderwijs (Smet, 2010). Hoewel we de uitgangspunten van de hervormingsnota (zoals het wegwerken van ongelijke kansen, het gelijk waarderen van onderwijsrichtingen en het behouden en zelfs verbeteren van het niveau van het Vlaams onderwijssysteem) onderschrijven, richten we ons tot een kritische beschouwing van een aantal aspecten die volgens ons nog onvoldoende zijn uitgeklaard in de oriëntatienota voor de hervorming van het secundair onderwijs. Meer specifiek richten we ons tot de veronderstelde gelijkwaardigheid van belangstellingsgebieden, de onderliggende visie op de brede basisvorming en het voorstel rond differentiatie en de invulling van het basispakket. Verder formuleren we een aan bedenkingen bij de focus op competenties en de oriëntatie van leerlingen op basis van abstractieniveau en belangstellingsgebied. Op basis van deze discussiepunten formuleren we ten slotte enkele aandachtspunten ten behoeve van de verdere uitwerking van de hervormingsplannen
-
Discussie: Naar een hervorming van het Vlaams secundair onderwijs: Evaluatieve bemerkingen ex ante vanuit Nederlands perspectief.
De Vlaamse overheid is voornemens een majeure hervorming van het secundair onderwijs door te voeren. Belangrijke doelstellingen daarbij zijn het verkleinen van de verschillen in leerprestaties tussen de hoogst en laagst presterende leerlingen, het terugdringen van de reproductie van maatschappelijke ongelijkheid en het verminderen van de afstand tussen de schoolse omgeving en de leefwereld van jongeren. In dit artikel worden een aantal opmerkelijke kenmerken van de geplande hervorming besproken, namelijk de aan de hervorming ten grondslag liggende probleemanalyse, de beslissing om leerlingen reeds vroeg in hun schoolloopbaan te laten kiezen voor een inhoudelijke specialisatie, de (vermeende) gelijkwaardigheid van de inhoudelijke specialisaties, de beslissing om de organisatiestructuur van scholen (d.w.z. een breed versus een gespecialiseerd aanbod in de bovenbouw) ongemoeid te laten en de keuze voor competentiegericht leren. De huidige voorstellen vertonen enkele opmerkelijke overeenkomsten met eerder ondernomen pogingen om het Nederlandse onderwijs te hervormen. Gezien het feit dat deze pogingen tegenwoordig als grotendeels mislukt worden beschouwd, kan men vraagtekens plaatsen bij de slaagkansen van de voorgenomen hervormingen in Vlaanderen.