Vol 88 Nr 6 (2011)
Artikel
-
Onderbenut bètatalent in Nederland
Weinig havo- en vwo-leerlingen kiezen voor het natuur en techniek (NT) profiel. In dit onderzoek is uitgezocht hoeveel leerlingen niet voor het NT-profiel hebben gekozen maar wel over capaciteiten beschikken die passen bij dit profiel. De onderzoeksvraag is: In welke mate treedt er bij havo- en vwo-leerlingen onderbenutting van bètatalent op? Op basis van twee toetsen (rekenen in de eerste klas, wiskunde in de derde klas) en een test voor symbolische intelligentie (in de tweede klas) is voor 6.033 havo- en vwo-leerlingen een score voor bètatalent berekend. De gemiddelde bètatalentscore van alle NT-leerlingen is vervolgens gebruikt als criterium (apart voor havo en vwo). We spreken van onderbenut bètatalent wanneer een leerling een bètatalentscore heeft die minstens even hoog is als de gemiddelde bètatalentscore van de NT-leerlingen, maar geen NT heeft gekozen. De resultaten laten zien dat minstens 20% van de vwo-leerlingen en 23% van de havo-leerlingen wel voldoet aan het gestelde criterium, maar geen NT heeft gekozen. Dit waren zowel jongens als meisjes en ze kwamen in alle profielen voor. Ongeveer 1/4 van alle niet-NT-jongens en bijna 1/5 van alle niet-NT-meisjes (zowel havo als vwo) had volgens het gestelde criterium zijn of haar bètatalent onderbenut.
-
Ontwikkeling en validering van een vragenlijst naar motivatie voor onderwijs van docenten in het hoger onderwijs
Motivatie van docenten in het hoger onderwijs is vooralsnog slechts beperkt onderzocht. Wel is er veel onderzoek gedaan naar motivatie van docenten in andere onderwijsvormen en naar motivatie van studenten. Omdat motivatie zeker ook in de context van de toenemende aandacht voor docentenprofessionalisering in het hoger onderwijs een belangrijke rol speelt, wordt in dit artikel de ontwikkeling en validering van een Nederlandstalige vragenlijst naar motivatie voor onderwijs bij docenten hoger onderwijs beschreven. De vragenlijst is gebaseerd op drie eerder ontwikkelde internationale vragenlijsten. Motivationele aspecten die hierin zijn meegenomen zijn self-efficacy, interesse en inzet. Een confirmatorische factoranalyse is uitgevoerd op de gegevens van 231 docenten uit het hoger onderwijs. Het verkennende onderzoek wijst uit dat na modificatie dit instrument voldoende betrouwbaar en valide is om breder ingezet te worden. Vervolgonderzoek in verschillende contexten is wenselijk.
-
Discussie: Het niveau en de kwaliteit van leraren in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs: wat is het probleem?
De centrale stelling in deze discussiebijdrage is dat de kwaliteit van leraren in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs geen urgent probleem is. De beschikbare data, zoals de internationaal vergelijkende PISA- en TIMSS-studies, CITO-peilingen en onderzoek van de Onderwijsinspectie, staan niet toe om rigide conclusies te trekken over de kwaliteit van leraren; meer onderzoek is daarvoor nodig. Als deze data al iets laat zien, dan is het dat de kwaliteit van leraren over het algemeen voldoende is en dat de veelal paniekerige toon in de politiek en het publieke debat onterecht is. Tegelijk kan het onderwijs altijd worden verbeterd omdat lesgeven van zichzelf een ingewikkelde activiteit is. Continue professionele ontwikkeling is daarom relevant, al is onderzoek nodig naar contextspecifieke kenmerken en naar de effectiviteit van werkplekgerelateerde vormen van professionele ontwikkeling.
-
Ontwikkeling in de pedagogisch didactische vaardigheid van leraren in het basisonderwijs
De activiteiten van leraren die een uitdrukking vormen van hun pedagogisch didactische vaardigheid zijn geobserveerd bij steekproeven basisscholen in Nederland, Vlaanderen, Duitsland, Slowakije, Kroatië en Schotland. In deze activiteiten blijkt een hiërarchie te bestaan die loopt van het creëren van een veilig en stimulerend onderwijsleerklimaat naar efficiënt klasmanagement, gevolgd door duidelijke en gestructureerde instructie, het intensiveren van de les, het afstemmen van het onderwijs op verschillen tussen leerlingen en het leerlingen aanleren hoe ze iets moeten leren. Uit kleinschalig cross-sectioneel onderzoek onder Duitse leraren blijkt dat de hoeveelheid arbeidservaringjaren aanvankelijk gelijk oploopt met het niveau in pedagogisch didactische vaardigheid. Na ongeveer het 20e beroepservaringjaar treedt bij de gemiddelde leraar een geleidelijke daling op in het niveau van pedagogisch didactische vaardigheid.