Vol 86 Nr 3 (2009)
Artikel
-
Studentbeleving van de onderzoeksintensiviteit van universitaire onderwijsomgevingen
In universitaire curricula speelt de relatie tussen onderzoek en onderwijs een belangrijke rol. In dit artikel wordt ingegaan op de vraag hoe universitaire studenten de onderzoeksintensiviteit van hun onderwijsomgeving beleven als functie van groepsgrootte, faculteit en studiejaar. Hiertoe is een vragenlijst ontwikkeld, welke is afgenomen bij studenten (n= 201) naar aanleiding van hun ervaring met cursussen uit het aanbod van de faculteiten Geesteswetenschappen en Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden. De vragenlijst bleek goed geschikt om de studentbeleving van de onderzoeksintensiviteit van onderwijsomgevingen op gedifferentieerde wijze te meten. Met name kwam een duidelijk onderscheid naar voren tussen de beleving van de manier waarop onderzoeksresultaten en –processen in het onderwijs aan bod kwamen, en de beleving van zaken die te maken hebben met wetenschappelijke houding en onderzoeksklimaat. In het algemeen gaven studenten aan het voor hun leren stimulerend te vinden dat onderzoek in het onderwijs aan bod komt. De verwevenheid van onderzoek in het onderwijs werd vooral sterker beleefd naarmate het onderwijs in kleinere groepen werd verzorgd. Vervolgonderzoek is nodig om beter inzicht te krijgen in de invloed van andere factoren op de studentbeleving van onderzoeksintensieve onderwijsomgevingen.
-
Zakken of slagen? De nauwkeurigheid van examenuitslagen in het voortgezet onderwijs
Een essentieel aspect van iedere toets is de meetnauwkeurigheid die wordt uitgedrukt in de betrouwbaarheid. Bij een combinatie van meerdere, uiteenlopende toetsen, zoals in het Nederlandse examensysteem in het voortgezet onderwijs, is de meetnauwkeurigheid van de beoordeling echter lastiger te bepalen. In dit artikel wordt een methode uitgewerkt waarbij meetnauwkeurigheid voor deze situatie wordt gekwantificeerd in termen van het percentage onjuist geclassificeerde kandidaten. De methode is gebaseerd op klassieke testtheorie en gebruikt modelmatige simulatie. Toegepast op examengegevens worden verschillende uitslagregels op de examens met elkaar vergeleken op basis van het percentage kandidaten dat zakt voor het examen en het percentage misclassificaties. Hierbij is uitgegaan van statistieken van examengegevens uit 2004, 2005 en 2006 en aangenomen dat leerlingen zich niet anders gaan gedragen. Uit de analyses blijkt dat het percentage gezakte kandidaten aanzienlijk toeneemt bij bijna alle alternatieve uitslagregels. De verschillen in percentage misclassificaties zijn ook substantieel maar subtieler, waarbij het blijkt dat de compensatorische eigenschappen van een uitslagregel gunstig zijn voor de meetnauwkeurigheid
-
Bepaling van het vermogen om te beslissen in onzekerheid met de Script Concordance Test methode
Veel problemen uit de dagelijkse praktijk vergen beslissingen terwijl de beschikbare informatie onvolledig of onduidelijk is. De inbedding van deze onzekerheden in toetsen staat op gespannen voet met psychometrische kwaliteitseisen. Uitgaande van het Script Concordance Test (SCT)-format werd hiervoor een test ontwikkeld in de diergeneeskunde. Deze test is bij 148 studenten tweemaal afgenomen, aan het begin en eind van een studieonderdeel dat is gericht op het leren oplossen van klinische problemen. Hun oordelen en beslissingen in realistische praktijksituaties werden afgezet tegen die van een groep van 28 ervaren practici. Studentscores tonen bij de hertest een significante toename van gemiddeld 4,59 punt. Individueel correleren scores positief (r = 0,65, p < 0,001) en is het effect groot (d = 0,89). Uit de analyses van casus en resultaten wordt geconcludeerd dat de SCT een bruikbaar instrument vormt voor toetsing van het probleemoplossen in onzekerheid, dat bij grote groepen studenten kan worden gebruikt, zonder een onaanvaardbare overbelasting van patienten.
-
Goede praktijkvoorbeelden als hefboom voor professionalisering? Een explorerend onderzoek naar determinanten en kritische kenmerken
Men veronderstelt dat het verspreiden van praktijkvoorbeelden een krachtig middel is tot verandering en verbetering van het onderwijs en dus bijdraagt tot professionele ontwikkeling van leraren en schoolontwikkeling. Ofschoon de veronderstelling achter deze aanpak plausibel en logisch lijkt, is ze nauwelijks wetenschappelijk getoetst en empirisch onderbouwd. We rapporteren over een explorerend en inventariserend onderzoek naar praktijkvoorbeelden, hun effectiviteit en de determinanten ervan. De analyse van interviews met zowel aanbieders als ontvangers/gebruikers van praktijkvoorbeelden leert dat de invloed van die voorbeelden niet gegarandeerd is en erg divers kan zijn. De verklaring voor de feitelijke impact moet gezocht worden in het betekenisvolle samenspel van een hele reeks factoren. Die determinanten hebben te maken met kenmerken van het praktijkvoorbeeld, kenmerken van de ontvangers/gebruikers én van de concrete werkcondities in hun school. De auteurs besluiten dat het qua methodiek van onderwijsverbetering en schoolontwikkeling vruchtbaarder is om niet langer uit te gaan van de gedachte dat er ‘voorbeelden van goede praktijk’ zijn die navolging vereisen, maar te werken vanuit een methodiek van ‘goede praktijkvoorbeelden’.
-
Vooruitgang in technisch lezen gedurende het schooljaar en de zomervakantie
Door de leerwinst gedurende het schooljaar te vergelijken met de leerwinst in de zomervakantie kan het effect van onderwijs op de ontwikkeling van leerlingen in kaart worden gebracht. In deze bijdrage wordt niet enkel de leerwinst, maar ook de spreiding in leerwinst met betrekking tot technisch lezen in beide perioden onderzocht, alsook de verschillen tussen jongens en meisjes en tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Daarnaast wordt onderzocht wat het gemiddelde effect van één jaar onderwijs is. Belangrijke uitkomsten van dit onderzoek zijn 1) dat onderwijs een absoluut effect op de leesprestaties van leerlingen heeft en 2) dat verschillen in leerwinst tussen leerlingen relatief groot zijn in de zomervakantie. Ongelijkheid tussen leerlingen lijkt vooral te ontstaan wanneer ze niet naar school gaan. Deze uitkomst heeft belangrijke consequenties die in het artikel besproken worden.