Vol 85 Nr 2 (2008)
Artikel
-
Effectieve tekststructuur voor het vmbo: Een corpus-analytisch en experimenteel onderzoek naar tekstbegrip en tekstwaardering van vmbo-leerlingen voor studieteksten
In dit artikel staat de vraag centraal welke structuurkenmerken ervoor zorgen dat vmboleerlingen hun studieteksten het beste begrijpen. Om intuïties van uitgevers over de geschiktheid van bepaalde structuurkenmerken te inventariseren, zijn studieboekteksten voor het vmbo geanalyseerd. Het blijkt dat in de studieboeken weinig teksten voorkomen waarin gebruik gemaakt wordt van linguïstische kenmerken die coherentie optimaliseren en de integratie tussen de informatie-eenheden bevorderen. De teksten zijn eerder gefragmenteerd van aard. Hiermee maken uitgevers andere keuzes dan wordt aanbevolen op grond van empirisch onderzoek naar coherentiemarkeringen. Met een leesexperiment is bij 561 vmbo-leerlingen nagegaan of uitgevers de juiste keuzes maken. Leerlingen lazen van acht studieteksten een tekstversie met een geïntegreerde of gefragmenteerde structuur. De resultaten laten zien dat vmbo-leerlingen begripsvragen beter beantwoorden wanneer ze een cohesieve, geïntegreerde tekst lezen dan wanneer dezelfde informatie in een gefragmenteerde tekst wordt aangeboden. De verklaring is dat de tekstuele integratie de opbouw van een coherente mentale tekstrepresentatie bevordert.
-
Notitie: Versterking leerkracht?
Het kabinet wil ruim 1 miljard euro investeren in de positie van de leraar. Deze middelen zijn hard nodig om te zorgen voor concurrerende arbeidsvoorwaarden in het onderwijs, maar vragen wel om een gedifferentieerde inzet: er bestaan grote verschillen in lerarentekorten tussen verschillende regio’s, onderwijstypen en vakken. Afgezien van enkele gerichte impulsen worden de middelen echter relatief gelijkmatig verdeeld over verschillende scholen. Op die manier komt een deel van de middelen terecht bij scholen waar de tekorten minder nijpend zijn. Verder zal moeten worden afgewacht in hoeverre scholen zelf hun middelen effectief zullen gebruiken om te investeren in de kwaliteit van de docent. Helaas is de kwaliteit van de docent maar voor een klein deel af te leiden uit meetbare criteria zoals opleidingsniveau en ervaring. Scholen hebben daardoor de neiging om de beloningsdifferentiatie vooral te koppelen aan taken en verantwoordelijkheden van docenten buiten het klaslokaal. Ook beloningsverschillen tussen vakken lijken vaak taboe. Het negeren van de economische wet van de schaarste gaat echter ten koste van de kwaliteit van docenten.
-
Een Nederlandstalige versie van de ATI: een valide instrument om onderwijsaanpak van docenten in het hoger onderwijs te meten?
De Approaches to Teaching Inventory (ATI, Trigwell en Prosser, 1996) wordt gebruikt om de onderwijsaanpak van docenten hoger onderwijs in kaart te brengen. Analyses naar de validiteit en betrouwbaarheid van de originele, Engelstalige ATI leverden positieve resultaten op (Trigwell en Prosser, 2004). In deze studie gaan we na of deze ook gelden voor de Nederlandstalige versie die wij ontwikkelden. Data werden verzameld bij 377 docenten aan de Universiteit Antwerpen en drie Antwerpse hogescholen. Confirmatorische factoranalyses en principale factoranalyses met oblieke rotatie wijzen in de richting van een model met subfactoren die onder te brengen zijn onder twee hoofdfactoren. Op basis van dit verkennend onderzoek kunnen we de betrouwbaarheid en de validiteit van onze actuele Nederlandstalige versie van de ATI onderschrijven. Bijgevolg is het instrument inzetbaar wanneer men in onderwijsonderzoek of -praktijk de onderwijsaanpak van docenten in kaart wil brengen. Vervolgonderzoek naar het gebruik van de ATI in verschillende contexten is wenselijk.
-
Spijbelen aan het einde van het basisonderwijs en het begin van het voortgezet onderwijs: de invloed van sociale bindingen en zelfcontrole
Doel van deze studie was om inzicht te bieden in de mate waarin spijbelen op betrekkelijk jonge leeftijd voorkomt en na te gaan in hoeverre dit risicogedrag voorspeld kan worden door sociale bindingen (Hirschi, 1969) en zelfcontrole (Gottfredson, en Hirschi, 1990). Aan het einde van het basisonderwijs werd bij 13 procent van de kinderen gerapporteerd dat zij wel eens spijbelden. Twee jaar later was dit percentage opgelopen tot 19 procent. Met multinomiale logistische regressie-analyses hebben we gelijktijdig de invloed van de verschillende voorspellers onderzocht. Een belangrijke bevinding is dat zelfcontrole geen voorspellende invloed heeft op al dan niet spijbelen, wanneer het tegelijk met diverse bindingselementen in het model wordt opgenomen. De twee in het model opgenomen bindingselementen, emotionele binding (aan ouders en leerkrachten) en morele binding aan regels, hebben wel een effect op spijbelen. Kinderen uit een zwak sociaal milieu behoren bovengemiddeld vaak tot de groep met absenties.