Vol 94 Nr 3 (2017)

Gepubliceerd: 2017-01-01

Artikel

  • Oefent een leerling meer door niveaudifferentiatie? Het effect van data-gestuurde differentiatie op leerinspanning en de rol van eerder behaalde cijfers

    N. Halem van , C.P.B.J. Klaveren van , I. Cornelisz

    Ondanks de toename van data-gestuurde differentiatie in het onderwijs is er nog weinig wetenschappelijk bewijs over de effecten van dergelijke differentiatie via ICT-toepassingen op het leerproces. Deze studie onderzoekt daarom het effect van data-gestuurde differentiatie op de geleverde inspanning (leeractiviteit) door de leerling en hoe deze relatie samenhangt met eerder behaalde cijfers. Leerlingen zijn binnen klassen, in de context van een reeds bestaande digitale oefenomgeving, willekeurig toegewezen aan data-gestuurde differentiatie. Het effect van data-gestuurde differentiatie wordt verder uitgesplitst tussen leerlingen op basis van prestatieniveaus, welke zijn afgeleid uit het voortschrijdend gemiddelde cijfer. Het onderzoek vindt plaats gedurende een schooljaar in de context van de onderbouw van het voortgezet onderwijs en de vakken biologie, geschiedenis en economie. De analyses zijn uitgevoerd op basis van een longitudinaal hiërarchisch regressie model (N = 606), en adresseren zowel variantie tussen leerlingen als binnen leerlingen over tijd. De resultaten tonen een positief effect van data-gestuurde differentiatie op de leeractiviteit van sommige – voornamelijk hoog presterende – leerlingen. Het effect van data- gestuurde differentiatie op de relatie tussen behaalde cijfers en daaropvolgende leeractiviteit verschilt echter sterk tussen leerlingen en vakken. Daarmee onderstreept deze studie dat het effect van data-gestuurde differentiatie niet kan worden gegeneraliseerd over vakken en tussen leerlingen. Vervolgonderzoek is nodig om deze bevindingen verder te duiden en de optimale vorm van data-gestuurde differentiatie voor elke leerling te identificeren.

  • Differentiëren bij rekenen: een cognitieve taakanalyse van het denken en handelen van basisschoolleerkrachten

    T. Keuning, M. Geel van , J. Frèrejean, J. Merriënboer van , D. Dolmans, A.J. Visscher

    Onderzoek naar differentiatie in het basis- onderwijs is vaak gericht op verschillende soorten aanpakken of strategieën om om te gaan met verschillen, zoals verschillende groeperingsvormen of het toepassen van co- operatieve werkvormen. Een duidelijk beeld van de vereiste leerkrachtvaardigheden, met bijbehorende kennis en attitudes, ontbreekt, waardoor leerkrachten niet systematisch ge- schoold kunnen worden in deze complexe vaardigheid. In deze studie is daarom met een cognitieve taakanalyse (CTA) in kaart ge- bracht uit welke vaardigheden de complexe taak ‘differentiëren bij rekenen’ bestaat. Door middel van een iteratief proces, waarin re- sultaten van observaties, interviews en een expertmeeting met leerkrachten gecombi- neerd werden met informatie uit een expert- meeting met overige inhoudsdeskundigen, is een vaardighedenhiërarchie opgesteld. Hierin wordt weergegeven wat de samenhang is tussen samenstellende vaardigheden, ge- durende vier differentiatiefasen. Bovendien is daarbij vastgesteld welke kennis nodig is om goed te kunnen differentiëren en welke factoren de complexiteit van differentiëren re- duceren dan wel vergroten. Deze studie toont aan hoe een CTA kan worden ingezet voor het onderzoeken van het handelen en denken van leerkrachten. De opgedane inzichten zijn een waardevolle aanvulling op wat tot nu bekend was over differentiëren en bieden een sterke basis voor het ontwikkelen van professiona- liseringstrajecten gericht op het verbeteren van differentiëren.

  • Risico op afbreken van een opleiding in de eerste twee jaar van het mbo

    J. Vugteveen, A.C. Timmermans

    Ongeveer negentig procent van de leerlin- gen die een vmbo-opleiding hebben afgerond, vervolgt hun onderwijsloopbaan in het mbo. Daar verlaten ieder jaar duizenden jongeren het onderwijs zonder startkwalificatie. Om het afbreken van opleidingen te verklaren zijn ge- durende de afgelopen vijftig jaar verschillende theoretische modellen voorgesteld (bijv., Tinto, 1975; Finn, 1989; Battin-Pearson et al., 2000). In de huidige studie is van 721 mbo-studenten onderzocht welke factoren uit de theoretische modellen, en enkele aanvullingen daarop, van voorspellende waarde zijn voor het afbreken van een opleiding gedurende de eerste twee leerjaren van het mbo. Daartoe is gebruik ge- maakt van schooladministratiegegevens en is verspreid over een periode van twee jaar vier keer een vragenlijst aan studenten voorgelegd. Ruim 42 procent van de studenten (n = 304) brak hun mbo-opleiding af. Uit de resultaten van een survivalanalyse bleek de prevalentie van het af- breken van de mbo-opleiding rond of vlak na de overgang van het eerste naar het tweede leerjaar het grootst. Een verlaagd risico op het afbreken van de eerst gekozen mbo-opleiding lijkt geassocieerd te zijn met een hoger oplei- dingsniveau van ouders, het hebben gevolgd van een vmbo-opleiding in de sector Economie (t.o.v. de sector Zorg en Welzijn), een lagere spij- belfrequentie, en het kwalificatieplichtig zijn. Er is onvoldoende bewijs gevonden voor een eventuele rol van andere over tijd variërende factoren, zoals motivatie en de mate waarin de student het idee heeft zelf sturing aan zijn/haar leertraject te kunnen geven. De afwezigheid van bewijs voor de invloed van deze factoren ligt mogelijk in het simultaan toetsen van verschil- lende variabelen of in de van de oorspronkelijke constructen afwijkende operationalisaties.

  • Wat creativiteitsontwikkeling in het onderwijs behoeft

    I.E. Oosterheert, P.C. Meijer

    Creativiteitsontwikkeling staat hoog op de onderwijsagenda. De stap naar gerichte creativiteitsontwikkeling in het primair en voortgezet onderwijs wordt echter in Nederland en ook elders nog nauwelijks systematisch gemaakt. Dit artikel betoogt dat deze aarzeling onder meer te begrij- pen is vanuit wat creativiteitsontwikkeling in scholen behelst, namelijk het creëren van een specifieke context. Kenmerken van deze ‘creativiteit cultiverende con- text’ worden uiteengezet en onderbouwd met wetenschappelijke kennis en discours over het verschijnsel creativiteit zelf en een breed scala aan (vooral internationale) literatuur over het cultiveren van creativi- teit. Centraal daarin staat kennis over 1) het deels domeinspecifieke karakter van creatief vermogen 2) de veelzijdigheid van het creatieve proces en 3) de kwetsbaar- heid van het functioneren in een creatieve modus op school. We bespreken deze ken- nis in het licht van de maatschappelijke wens nadrukkelijker werk te maken van brede- en talentontwikkeling en formule- ren enkele implicaties voor onderwijs en onderzoek