Vol 97 Nr 3 (2020)

Gepubliceerd: 2020-01-01

Artikel

  • Binnenklasdifferentiatie in de praktijk: leerkrachten hun denken en handelen

    E. Gheyssens, E. Consuegra, S. Vanslambrouck, N. Engels, K. Stryven

    Binnenklasdifferentiatie (BKD) wordt voorgesteld als een pedagogische benadering om inclusief onderwijs te creëren en wordt beschouwd als zowel een onderwijsfilosofie als een onderwijspraktijk. BKD vereist dat leerkrachten hun onderwijs aanpassen aan de interesses, leerstatus en leerprofielen van de leerlingen door gedifferentieerde praktijken zoals samen- werkingsvormen en formatieve evaluatie toe te passen. Verschillende studies rapporteren echter uitdagingen wanneer leerkrachten differen- tiërende praktijken implementeren. Aan de hand van verschillende methoden onderzoekt deze studie in welke mate gedifferentieerde praktijken worden toegepast door leerkrachten in het basisonderwijs in Vlaanderen (België). De gegevens werden verzameld aan de hand van drie dataverzamelingsmethoden die onderling vergeleken worden: zelf gerapporteerde vragen- lijsten van leerkrachten (N=513), geobserveerde klaspraktijken en interviews met 14 leerkrachten. De resultaten tonen aan dat er niet altijd congruentie is tussen de geobserveerde en de zelf gerapporteerde praktijken. Bovendien brengt deze studie in kaart wat leerkrachten aanmoedigt of ontmoedigt om gedifferentieerde praktijken toe te passen. Onder andere bezorgdheid over de impact op leerlingen en het schoolbeleid worden door de leerkrachten aangeduid als een belemmering voor het toepassen van gedifferentieerde praktijken in de klaslokalen.

  • Syntheseschrijven in het hoger secundair onderwijs in Nederland in kaart gebracht Een nationale peiling naar tekstkwaliteit, schrijfproces en schrijverskenmerken

    N. Vandermeulen, S. de Maeyer, E. van Steendam, M. Lesterhuis, H. van den Bergh, G. Rijlaarsdam

    Het schrijven van een synthesetekst - een tekst waarin informatie uit verschillende bronnen geïntegreerd wordt - maakt deel uit van het curriculum in het Nederlandse vwo-onderwijs. Deze studie bestaat uit een nationale peiling naar de synthesevaardigheid in de drie hoogste leerjaren van het vwo. Het doel van deze studie was om drie aspecten van syntheseschrijven in kaart te brengen: tekstkwaliteit, schrijfproces en leerlingperspectief op schrijven. Een representatieve steekproef van 658 leerlingen nam deel; elke leerling schreef vier teksten. Teksten werden beoordeeld met behulp van tekstschalen met benchmarks; het schrijfproces werd geregistreerd met keystroke logging; en de perspectieven van de leerlingen op schrijven werden gemeten met een vragenlijst. Via multilevel analyses gingen we het effect van leerjaar, geslacht en tekstgenre (argumentatieve/ informatieve synthese) na op tekstkwaliteit en schrijfproces, en het effect van leerjaar en geslacht op de perspectieven. Deze nationale peiling is een beschrijvend onderzoek dat inzicht biedt in de huidige stand van zaken omtrent syntheseschrijven: hoe presteren leerlingen op synthesetaken?, hoe schrijven ze syntheseteksten?, en wat zijn hun perspectieven op het schrijven van een synthesetekst? Bovendien dient deze studie ook als baseline voor toekomstig onderzoek.

  • Objecten zijn wel een ding: de rol van (grens)objecten in samenwerkingen tussen onderzoekers en onderwijsprofessionals

    L. H. Bronkhorst, B.G.J. Wansink, I. Zuiker

    Het welslagen van een samenwerking tussen onderwijsprofessionals en onderzoekers wordt gewoonlijk toegeschreven aan structurele condities, zoals tijd en middelen, of de kwaliteit van de interacties tussen betrokkenen. Weinig aandacht is er voor hetgeen waaraan of waarmee samengewerkt wordt, terwijl uit andere disciplines bekend is dat deze zogeheten objecten de samenwerking mediëren. Of en hoe dat in samenwerkingen tussen onderwijsprofessionals en onderzoekers het geval is, verkennen we met een kwalitatieve analyse van 49 casussen uit de internationale peer-reviewed literatuur. Hieruit blijkt dat er in elke samenwerking aan en/of met één of meerdere objecten gewerkt wordt, door ons gecategoriseerd als: probleemstelling, curriculum, lespraktijk, leerling, theorie, instrument, valorisatie, en samenwerking. We onderscheiden vervolgens vier verschillende manieren van object-gemedieerd werken: samenwerken aan een gedeeld object, onderwijsprofessionals begeleiden bij een praktijkrelevant object, benutten van een door onderzoekers ontwikkeld object en in verschillende praktijken werken met een grensobject. Hoewel deze manieren ieder op eigen wijze productief kunnen zijn, stroken ze niet altijd met de intenties van samenwerken. Meer aandacht voor objecten in bestaande en toekomstige samenwerkingen lijkt daarmee wenselijk.

  • Vaktaalontwikkeling bij het verklaren van drijven en zinken: een ontwerpstudie naar denkstappen

    J. Smit, M.A.R. Gijssel, A. Bakker

    Het W&T-onderwijs op de basisschool kent verschillende uitdagingen, die we in deze ontwerpstudie aangaan door begrips- en (vak)taalontwikkeling tegelijkertijd te ondersteunen. Daartoe ontwikkelden we een taalgerichte lessenserie die het leren verklaren van drijven en zinken, en de daartoe benodigde denkstappen, tot doel had. Deze studie evalueert hoe de kwaliteit van de verklaringen en het vaktaalgebruik in de denkstappen zich ontwikkelden. Met een schriftelijke voor- en nameting scoorden we verklaringsniveaus van 21 leerlingen (10–11 jaar) en stelden we een significante vooruitgang in de kwaliteit van verklaringen vast. De ontwikkeling van drie meertalige gevalsstudieleerlingen werd nader geanalyseerd met transcripten van interviewdata die na elk van de zes lessen werden verzameld. De interviewvragen richtten zich op het verklaren van drijven en zinken. Eerst werden de niveaus van de verklaringen van drijven en zinken gescoord. Vervolgens werd de vaktaalontwikkeling beschreven. De verklaringsniveaus en de vaktaalontwikkeling gingen niet altijd gelijk op. Uit een cross case-analyse bleek verder een toegenomen frequentie en variatie in gebruik van vaktaalwoorden, en een verschuiving naar wetenschappelijk adequatere verklaringen. Deze studie levert een proof of principle van de mogelijkheid om tegelijkertijd de kwaliteit van verklaringen en (vak)taalontwikkeling te bevorderen tijdens een taalgerichte lessenserie waarin het idee van denkstappen centraal staat.

  • Lezen en antwoorden bij teksten met vragen Een cross-sectionele eye-trackstudie onder 52 vwo- leerlingen

    P. Rooijackers, G. van Silfhout, U. Schuurs, I. Mulders, H. van den Bergh

    In Nederland traint men vaak tekstbegrip met een tekst met vragen. Daarbij bestuderen leerlingen vooraf een tekst en beantwoorden vervolgens vragen, waarbij de tekst raadpleegbaar blijft. Bij deze taak werden verschillen in leesgedrag onderzocht tussen vwo 2-, vwo 4- en vwo 6- leerlingen. Via oogbewegingenregistratie en retrospectieve interviews werd onderzocht in hoeverre jongere en oudere vwo-leerlingen in lees- en antwoordgedrag verschillen en hoe het vooraf lezen van een tekst in deze jaarlagen de erop volgende vraagbeantwoording beïnvloedt. De resultaten: bij de tekstbestudering vooraf doorbraken deelnemers slechts zelden het lineaire leespatroon; ze schonken aan kernzinnen nipt meer leestijd. Zesdeklassers en vierdeklassers lazen beduidend sneller dan tweedeklassers, maar zesdeklassers niet sneller dan vierdeklassers. Bij de vraagbeantwoording lokaliseerden zesdeklassers beter het antwoord in de tekst en antwoordden vaker correct dan tweedeklassers en (in mindere mate) vierdeklassers. In interviews gaven deelnemers aan bij vragen doorgaans te weten waar het antwoord in de tekst stond, maar nog geen (concept)antwoord paraat te hebben. Deelnemers vertoonden ogenschijnlijk sterk pragmatisch leesgedrag. De vraag wordt opgeworpen in hoeverre deze taak oppervlakkig lezen in de hand werkt en of andere taken niet beter zelfstandig ‘diep lezen’ kunnen bewerkstelligen.